Bijlage D: Uitgangspunten voor de Programmabegroting 2027-2030
Deze bijlage bevat de uitgangspunten voor het opstellen van de Programmabegroting 2027-2030.
Financieel toezicht provincie Zuid-Holland
Op basis van de Gemeentewet moet de begroting structureel en reëel in evenwicht zijn. Structureel evenwicht houdt in dat structurele lasten gedekt worden door structurele baten (per jaarschijf). Lasten en baten moeten reëel geraamd zijn. Concreet houdt dit in dat we een goede inschatting maken van hoeveel taken kosten, hoeveel opbrengsten binnenkomen en hoeveel eventueel bespaard kan worden met het nemen van maatregelen.
Jaarlijks verstuurt de provincie Zuid-Holland een begrotingscirculaire met uitgangspunten voor de komende begroting. Actuele onderwerpen voor 2027 zijn:
- Voor het inzicht in het structurele evenwicht is de nieuwe notitie Structurele en incidentele baten en lasten van de commissie BBV het kader (maart 2026);
- Herijking gemeentefonds per 1 januari 2027 (meicirculaire 2026)
- Jeugdzorg:
- stelposten zijn toegestaan voor verkorten van de trajectduur (Delft: € 308.000) en het invoeren van een eigen bijdrage in de jeugdzorg (Delft: € 1,18 miljoen);
- invulling maatregelen uit hervormingsagenda inclusief indexering 50% (Delft: € 2,3 miljoen);
- niet vooruitlopen op tweede advies commissie-Van Ark over financieel kader;
- De meicirculaire 2026 is leidend voor de verwerking van het rijksbeleid uit het coalitieakkoord ‘Aan de slag’;
- Een nieuw kader voor specifieke stelposten voor onderuitputting volgt in mei vanuit het provinciaal toezicht.
Financiële positie
Het behoud van een duurzaam financieel gezonde gemeente is een randvoorwaarde bij het opstellen en uitvoeren van de Programmabegroting 2027-2030. De programmabegroting geeft nader inzicht in de financiële positie via de volgende vragen. Bij beantwoording van de vragen maken we duidelijk welke specifieke informatie, zoals financiële kengetallen, we gebruiken.
A. Is de begroting structureel en reëel in evenwicht?
- Structurele lasten zijn gedekt door structurele baten;
- Ramingen van lasten, baten en reservemutaties zijn volledig en realistisch.
B. Is er ruimte voor nieuw beleid?
- Toelichting op begroting en meerjarenraming: begrotingssaldo, stelposten en taakstellingen, verhouding bestaand en nieuw beleid;
- Toelichting op de vrij besteedbare ruimte in de Algemene reserve: risicoprofiel, reservering Groei van de stad, incidentele dekkingsmiddelen.
C. Zijn we financieel wendbaar en weerbaar?
- Financiële kengetallen over schuld, solvabiliteit, grondexploitatie, exploitatieruimte en belastingcapaciteit (op basis van Besluit Begroting en Verantwoording), inclusief een toelichting en vergelijking met de signaleringswaarden uit het Gemeenschappelijk Financieel Toezichtkader (GTK 2020 Gemeenten);
- Weerstandsratio (beschikbare en benodigde weerstandscapaciteit op basis van het risicoprofiel) inclusief een toelichting en vergelijk met de Weerstandsnorm uit het GTK 2020 Gemeenten;
- Renterisico en kasgeldlimiet (Wet Financiering decentrale overheden);
- EMU-saldo.
Nominale ontwikkeling
De begroting van Delft wordt geraamd in constante prijzen. Dit betekent dat het begrotings- en meerjarenbeeld jaarlijks wordt aangepast aan het prijspeil voor het nieuwe begrotingsjaar. Bij het aanpassen van het prijspeil houden we rekening met de actuele loon- en prijsontwikkeling. Het gaat dan om de budgetten voor salariskosten, materiële kosten (inclusief verbonden partijen, subsidies en vastgoed), investeringen en de tarieven.
Een deel van de inkomsten die de gemeente ontvangt via het gemeentefonds, is bedoeld voor inflatiecorrectie (de zogenoemde nominale ontwikkeling). Deze inkomsten worden bepaald door de groei van de Nederlandse economie, gemeten via het bruto binnenlands product (BBP). De actuele indices voor het BBP staan in het Centraal Economisch Plan (CEP, maart 2026) van het Centraal Planbureau (CPB) en worden gebruikt voor de berekening van de financiële ruimte voor gemeenten. De concrete verdeling over de gemeenten volgt in de meicirculaire. Op basis van de meicirculaire wordt een begrotingsvoorstel opgesteld voor toe te kennen indexeringen in de Programmabegroting 2027-2030.
Effecten hoge energie- en brandstofprijzen
De compensatie die gemeenten ontvangen voor het lopende jaar wordt jaarlijks in de meicirculaire vastgesteld en daarna niet meer gewijzigd. Dit betekent dat gemeenten geen aanvullende compensatie ontvangen voor de eventuele extra inflatie in het lopende jaar na de meicirculaire. Omdat van deze extra inflatie in de laatste kwartalen van het jaar al jaren sprake is, lopen gemeenten veel geld mis. Vanwege deze structurele tekortkoming in de voeding van het gemeentefonds bepleit de VNG het toevoegen van nacalculatie na afloop van het lopende jaar.
Door de oorlog in het Midden-Oosten stijgt de inflatie. Hiervoor ontvangen gemeenten vooralsnog geen compensatie. Bij de begrotingsvoorbereiding wordt nader bezien met welke extra inflatie rekening moet worden gehouden en welke financiële ruimte hiervoor beschikbaar is binnen de begroting van Delft en of nadere maatregelen van het kabinet voldoende compensatie bieden voor gemeenten. De extra inflatie leidt tot hogere prijzen waarvoor partijen waarmee de gemeente samenwerkt, gecompenseerd willen worden. Afspraken hierover worden gemaakt op basis van de Uniforme Administratieve Voorwaarden 2012 en de Standaardregeling die de heeft VNG opgesteld.
Voor inkomensondersteuning van inwoners in een kwetsbare positie en voor verduurzaming heeft het kabinet een pakket maatregelen samengesteld. Voor komende winter wordt een Tijdelijk Noodfonds Energie ingesteld (€ 195 miljoen). Gemeenten krijgen via de bestaande specifieke uitkering Energiearmoede-middelen extra middelen voor ondersteuning van de doelgroep door Energiefixers (2 x € 40 miljoen in 2026 en 2027). Ook komen er extra middelen voor verduurzaming in de kwetsbaarste wijken via het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (3 x € 5 miljoen in 2026, 2027 en 2028).
Voor de ontwikkeling van de salariskosten in 2027 (loonontwikkeling en pensioenpremie) gebruiken we de collectieve arbeidsovereenkomst (cao) die is afgesloten voor de periode 1 april 2025 tot en met 31 maart 2027 (6,7% + € 35 voor 2 jaar) en het premiebeleid van het ABP. Voor de periode na afloop van de cao wordt een inschatting gedaan op basis van de index Prijs overheidsconsumptie, beloning werknemers: 4,1%.
Voor de budgetten voor goederen en diensten (van derden) hanteren we de index voor materiële overheidsconsumptie: 2,1%.
Voor de tarieven geldt in principe een maximale stijging van 2,1%, in lijn met de consumentenprijsindex, tenzij kostendekkendheid om een andere (gemotiveerde) aanpassing vraagt.
Gemeenschappelijke regelingen ontvangen elk jaar in december (jaar t) een kaderbrief met de inflatiecorrectie voor de nieuwe begroting (t+2). In dit indexcijfer is tevens rekening gehouden met actualiseringen voor het lopende jaar (t) en voor het begrotingsjaar (t+1). De nominale ontwikkeling is gebaseerd op een gewogen gemiddelde van drie indices: de loonvoet sector overheid, de prijsontwikkeling van overheidsconsumptie (IMOC) en de prijsontwikkeling van overheidsinvesteringen (lBOl). De weging van deze indices is respectievelijk 60%, 20% en 20%.
De indexering voor de nieuwe begroting 2027 en de bijstelling voor het lopende begrotingsjaar is gebaseerd op de Macro Economische Verkenning 2026 (MEV 2026, september 2025). De vaststelling van de index voor het afgelopen jaar 2025 is gebaseerd op het Centraal Economisch Plan (CEP 2025, februari 2025).
Voor uitgaande subsidies is tot nu toe compensatie gegeven voor een gewogen gemiddelde van de salarisontwikkeling (op basis van de index Prijs overheidsconsumptie, beloning werknemers) en materiële kostenontwikkeling (op basis van de index Prijs materiële overheidsconsumptie). Uitgangspunt is dat 70% van de subsidie betrekking heeft op salarissen en 30% op materiële kosten.
Voorstel is om deze systematiek aan te passen naar aanleiding van de motie 7.1.5 ‘Realistische indexatie van subsidies’ die is aangenomen bij de raadsbehandeling van de Programmabegroting 2026-2029 (13 november 2025). De motie draagt op om bij de Kadernota 2027 inzichtelijk te maken welke systematiek realistische indexatie van subsidies mogelijk maakt, waarbij rekening gehouden wordt met:
- de kosten van indexatie op basis van werkelijke kostenstijgingen;
- de mogelijkheid om een realistische indexatie met terugwerkende kracht door te voeren.
Voorstel is om aan de motie invulling te geven door wijzigingen in te hanteren indices en het toepassen van nacalculatie. Naar verwachting verbetert hierdoor de aansluiting op de werkelijke kostenontwikkeling van subsidierelaties. Ook sluit deze methodiek beter aan bij de prijscompensatie die de gemeente ontvangt uit het gemeentefonds.
Voorstel 1: in de systematiek voor indexering van subsidies bij de loonontwikkeling de index Prijs Overheidsconsumptie (IPOC) vervangen door de index Loonvoet sector overheid. Voor de prijsontwikkeling de index Materiële Overheidsconsumptie (IMOC) handhaven en de index Bruto Overheidsinvesteringen (IBOI) toevoegen.
Voorstel 2: in de systematiek voor indexering van subsidies geen wijziging aanbrengen in de gewichten voor het aandeel lonen en het aandeel prijzen in de loon- en prijsontwikkeling van de subsidies.
Voorstel 3: in de systematiek voor de indexering van subsidies nacalculatie toevoegen voor het begrotingsjaar (bijstelling jaar t+1) en het lopende jaar (vaststelling jaar t).
Voorstel 4: de nieuwe systematiek voor de indexering van subsidies met ingang van de Kadernota 2027 op te nemen als uitgangspunt voor de nieuwe begroting.
Op basis van deze voorstellen is de inflatiecorrectie hoger dan de vigerende systematiek: in 2025 (+1,39%), 2026 (+1,09%) en 2027 (+0,1%). Omdat niet zeker is of dit een bestendige lijn is en of hiermee voldoende tegemoet wordt gekomen aan de werkelijke kostenstijgingen (prijs en volume), is het volgende voorstel nog toegevoegd:
Voorstel 5: na een periode van vijf jaar monitoren hoe de indexatie volgens deze nieuwe systematiek zich verhoudt tot de reële kostenstijgingen in de diverse sectoren en dan besluiten of dit opnieuw bijstelling van de systematiek vereist.
Voor het Vastgoedbedrijf hanteren we voor de nieuwe begroting de nominale ontwikkeling die specifiek van toepassing is op vastgoed. Op basis van de uitgangspunten van de Vastgoedanalyse worden de nominale ontwikkelingen voor het Vastgoedbedrijf bepaald. Het Vastgoedbedrijf huurt een aantal panden van derden. Externe partijen passen de huur jaarlijks aan op basis van bestaande contracten. Om de ramingen en de werkelijke huurkosten in overeenstemming te brengen, wordt het vastgoedspecifieke percentage voor huurkosten toegepast.
Bij investeringsprojecten moet vooraf rekening worden gehouden met de benodigde indexering, gedurende de gehele looptijd van het project. Dit is onderdeel van het voorstel om een investeringsproject te starten en middelen daarvoor toegekend te krijgen. In uitzonderlijke gevallen kan bij een investeringsproject desondanks extra inflatiecorrectie noodzakelijk zijn, door vertraging of boventrendmatige prijsstijging. We hebben daarvoor in de Kadernota 2024 (€ 6 miljoen incidenteel voor ontvangen rijkssubsidies) en via de Programmabegroting 2026-2029 (€ 300.000 structureel voor het investeringsprogramma) extra middelen gereserveerd.
Elk jaar beoordelen we of het noodzakelijk is om investeringsbudgetten op te hogen en om investeringen te herfaseren. Dat is onderdeel van het actualiseren van het investeringsprogramma. Bij deze beoordeling betrekken we de jaarlijks terugkerende investeringen en investeringen in de beheerplannen, grondexploitaties en bijvoorbeeld de businesscase Schieoevers. Ook voor onderwijshuisvesting worden de geraamde investeringsbedragen zo nodig aangepast aan de hand van de meest recente index voor utiliteitsbouw, zoals gepubliceerd in het Bouwkostenkompas.
De uitkomsten zijn onderdeel van het voorstel voor de bouwsteen Investeringen in de nieuwe begroting. Daarbij houden we rekening met de beschikbare financiële ruimte voor loon- en prijsontwikkeling.
Onroerendezaakbelasting (OZB)
Bij de OZB gaat het om drie belastingen:
- OZB-eigenaren woningen (OZB EW)
- OZB-eigenaren niet-woningen (OZB ENW)
- OZB-gebruikers niet-woningen (OZB GNW)
Voor het opstellen van de voorstellen voor de OZB-tarieven gebruikt de gemeente een rekenmodel met als uitgangspunt de sturing op de totale OZB-opbrengst. Dit is onafhankelijk van de waardeontwikkeling van objecten. De Regionale Belastinggroep (RBG) levert jaarlijks voor het rekenmodel een dataset die bestaat uit gegevens over:
- de totale WOZ-waarde en waardeontwikkeling van woningen in eigendom en van niet-woningen in eigendom en gebruik;
- de correctiefactoren voor bezwaar, oninbaarheid en leegstand.
In het rekenmodel zijn de volgende bestuurlijke keuzes verwerkt:
- Indexering van de totale opbrengst
Een voorstel voor inflatiecorrectie vanaf 2027 wordt voorbereid met inachtneming van het actuele percentage voor de consumentenprijsindex (CPI). De opbrengst van deze inflatiecorrectie maakt deel uit van de nominale ontwikkeling en draagt bij aan de bekostiging van de loon- en prijsbijstelling voor 2027. - Negatieve maatstaf in het gemeentefonds
In het gemeentefonds is voor de belastingcapaciteit per gemeente een negatieve maatstaf opgenomen. Dit betekent een korting op de algemene uitkering op basis van een inschatting van de lokale opbrengst van de OZB. Jaarlijks berekenen de beheerders van het gemeentefonds deze maatstaf opnieuw op basis van de waarde onroerende zaken (WOZ) en een landelijk rekentarief. Bij de indexatie van de totale OZB-opbrengst houden we rekening met een gewogen gemiddelde van de ontwikkeling van de negatieve maatstaf en de CPI. - Verdeling
Het aandeel van iedere belasting in de totaalopbrengst:
- OZB EW: 51,45%,
- OZB ENW: 28,23%
- OZB GNW: 20,32%
- Correctiefactoren
De toerekening van de correctiefactoren voor bezwaar, oninbaar en leegstand.
5. Areaal
Voor de extra inkomsten als gevolg van areaaluitbreiding in het begrotingsjaar 2027 volgt een voorstel in de Programmabegroting 2027-2030. Na het bepalen van de nieuwe tarieven wordt de opbrengst van het nieuwe areaal toegevoegd aan de totaalopbrengst. Deze opbrengst krijgt hiermee het karakter van een meeropbrengst (de WOZ-waarde van het nieuw areaal wordt niet toegevoegd aan de totale WOZ-waarden voor de tariefberekening, waardoor geen dempend effect ontstaat op de belastingtarieven).
Gesloten circuits reiniging, riolering, omgevingsvergunningen
Voor de gesloten circuits zijn kostendekkende tarieven het uitgangspunt: alle kosten die gemaakt worden voor het gesloten circuit komen ook ten laste van het gesloten circuit. Dit betekent dat behalve de directe kosten van afvalstoffeninzameling en -verwerking en het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) rekening wordt gehouden met inflatiecorrectie, overhead, btw, perceptiekosten van de RBG, oninbaarheid en areaaluitbreiding.
|
Perceptiekosten Bij de belastingen (OZB, toeristenbelasting, parkeerbelasting, precario, reclamebelasting) gaat het om tarieven zonder limiet en is de kostendekkendheid dus niet relevant. |
Een voorstel voor aanpassing van de tarieven van de woonlasten (OZB, rioolheffing, afvalstoffenheffing) is onderdeel van de Programmabegroting 2027-2030.
Sociaal domein
Voor het sociaal domein hanteren we een financieel kader dat bestaat uit middelen uit de programma's Gezonde en sociale stad (Wmo, Jeugd), Samenleven, onderwijs en cultuur en Werk en inkomen (participatie). Een actueel overzicht van het financieel kader is onderdeel van begroting en jaarstukken. De uitgaven die nodig zijn voor het sociaal domein en de inkomensverstrekkingen ramen we op basis van lokale ramingen.
Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport berekent prijsindexcijfers voor de tarieven van zorgaanbieders in de jeugdzorg en Wmo. In lijn met de Contractstandaarden Jeugd (2 december 2022 algemeen verbindend verklaard door de Algemene Ledenvergadering van de VNG) adviseert de VNG deze indexatie aan te houden.
Het indexcijfer wordt gebaseerd op een gewogen gemiddelde van arbeidskosten (90%) en prijzen (10%). Ook wordt nacalculatie toegepast. Als indexcijfers worden gehanteerd de Overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (OVA) (3,91%) en Prijsindex particuliere consumptie (PPC) (1,77%).
De tarieven voor het leerlingen- en jeugdwetvervoer worden jaarlijks met de NEA-index geïndexeerd. De index voor 2027 is ingeschat op 3,96%.
Overige uitgangspunten
- De raming van de algemene uitkering uit het gemeentefonds is gebaseerd op de meicirculaire 2026 en afrekeningen over oude jaren.
- In principe is de stijging van de algemene uitkering als gevolg van de groei van de stad (inwoners, woningen) bestemd voor de stijging van de kosten die samenhangen met deze groei. Het inzetten van extra inkomsten als gevolg van de groei van de stad voor andere zaken kan alleen nadat vaststaat dat de integrale kosten van de groei structureel zijn geraamd in de begroting.
- De omslagrente 2027 berekenen we bij de begroting door het saldo van de rentelasten en -baten te delen door de boekwaarde van de vaste activa.
Bij de raming van financieringsbehoefte houden we op basis van de investeringsplanning, ervaringscijfers over de realisatie en de beschikbare liquide middelen rekening met een gemiddeld investeringsvolume per jaar (bruto). Op basis van de actualisering van het Investeringsprogramma 2026-2030 bepalen we voor de Programmabegroting 2027-2030 het gemiddelde investeringsvolume per jaar.